We mogen best wat vaker vieren dat het goed gaat

"We mogen best wat vaker vieren dat het goed gaat"

Regiodirecteur bij LEVANTOgroep en voorzitter van het kernteam van Mentaal Gezond Zuid-Limburg

Esmé werkt inmiddels achttien jaar bij LEVANTOgroep en is sinds december regiodirecteur voor alle ambulante diensten in Zuid-Limburg, de dagbestedingslocaties, de ervaringsdeskundigen en de informele zorg. Binnen Mentaal Gezond Zuid-Limburg is ze voorzitter van het kernteam. We spraken haar over haar drijfveren, waar ze trots op is en waarom begrip voor elkaar volgens haar de sleutel is tot de volgende stap.

 

Esmé begon haar loopbaan als begeleider bij Mondriaan. “Ik kom zelf uit het primaire proces”, vertelt ze. Vervolgens maakte ze de overstap naar de crisisopvang van het toenmalige Rimo. Rimo ging later op in LEVANTOgroep. Esmé groeide mee met de organisatie: van trajectbegeleider die mensen als eerste sprak bij binnenkomst tot kwartiermaker en teammanager. Naast haar opleiding Social Work volgde ze op aanraden van een voormalig bestuurder ook de opleiding Bedrijfskundig Zorgmanagement. “Daar ben ik dankbaar voor. Het helpt me enorm in de rol die ik nu heb.”

 

Haar hart ligt nog altijd bij mensen met een psychische kwetsbaarheid. “Mijn drijfveer is dat mensen de juiste ondersteuning krijgen, op de juiste plek en op het juiste moment. Vanuit die overtuiging wilde ik ook een positie waarin ik daadwerkelijk iets kan betekenen voor de manier waarop we de zorg organiseren.”

 

Esmé merkte gedurende haar loopbaan dat ze steeds vaker ideeën had over hoe zaken beter konden. “Als je ergens iets van vindt, kun je dat blijven benoemen. Maar je kunt ook kijken hoe je invloed kunt uitoefenen en zaken kunt verbeteren. Ik heb bewust gekozen voor een functie waarin ik aan knoppen kan draaien en kan bijdragen aan verandering. Die mogelijkheid heb ik nu.” Esmé ziet die mogelijkheid in haar huidige functie. “Ik zit in een positie waarin ik kan meedenken over hoe we het zorglandschap inrichten. Want de manier waarop we het nu hebben georganiseerd, is niet altijd helpend voor mensen met psychische problemen.”

 

Zo’n tweeënhalf jaar geleden sloot Esmé aan bij het netwerk. Onderwerpen als ervaringsdeskundigheid, verkennende gesprekken en het terugdringen van wachtlijsten spraken haar direct aan. “Ik zie in de dagelijkse praktijk hoe die wachtlijsten druk zetten op zowel de zorg als de welzijnsorganisaties in het sociaal domein. Mensen wachten lang en soms vraag je je af of ze wel op de juiste plek in het systeem terecht zijn gekomen.”

 

Juist daar ziet ze de waarde van het verkennend gesprek. “Hulpverleners willen ontzettend graag helpen. Maar als je iets biedt wat niet passend is, dan is dat een kleine pleister op een grote wond. Dat leidt tot frustratie, zowel bij de cliënt als bij de hulpverlener. Met een verkennend gesprek kun je veel beter kijken naar wat iemand écht nodig heeft en ervoor zorgen dat de juiste zorg op de juiste plek terechtkomt.”

 

Dat het sociaal domein en de ggz daarbij samen optrekken, levert volgens haar nog iets extra’s op. “Verkenners uit het sociaal domein geven terug dat ze het fijn vinden om intensief samen te werken met iemand uit de ggz. Zo ontstaat meer begrip voor elkaars werk. En dat zie je nu langzaam groeien in de praktijk.”

 

Toen de governance van het netwerk anders werd ingericht, werd Esmé gevraagd om het voorzitterschap van het kernteam op zich te nemen. Ze nam daar even de tijd voor. “Ik vind het een verantwoordelijke taak. Je bent onafhankelijk en wilt alle belangen behartigen, maar tegelijkertijd kan dat niet altijd. Dat is geen makkelijke klus.”

 

Toch zei ze ja. “Voor mij draait het altijd om de vraag: wat is mijn drijfveer? En welke impact kan ik maken op de plek waar ik zit? Als ik zie dat wachtlijsten een groot probleem zijn en dat er meer samenwerking nodig is tussen het sociaal domein, de ggz en huisartsen, en mij vervolgens een positie wordt aangeboden waarin ik daaraan kan bijdragen, dan zou het zonde zijn om nee te zeggen.”

 

Op de vraag waar ze trots op is, hoeft Esmé niet lang na te denken. “Dat we daadwerkelijk in beweging zijn gekomen. We zijn ons transformatieplan aan het implementeren en hebben onder andere implementatiecoördinatoren en een projectleider ervaringsdeskundigheid geworven. Nu deze mensen samen aan de slag zijn, zie je langzaam verandering ontstaan. Het zijn misschien nog kleine stappen, maar het begin is er.”

 

In de verschillende gremia waarin ze actief is, ziet ze regelmatig overzichten van wat er tot nu toe is bereikt: het aantal verkennende gesprekken, de lopende DOCO’s en de ontwikkeling van de herstelacademie. “Dan denk ik: met vallen en opstaan, maar dit staat er wél. We hebben al voor veel mensen iets kunnen betekenen. Als ik de interviews met inwoners lees, dan maakt me dat trots.”

 

Tegelijkertijd constateert ze dat er één ding is dat we vaker zouden mogen doen: stilstaan bij wat goed gaat. “Het is typisch Nederlands om vooral in te zoomen op wat er misgaat. Laten we ook gewoon eens vieren dat mensen tevreden zijn en dat er mooie resultaten worden geboekt. Dat doen we te weinig.”

 

Esmé benadrukt dat de samenhang tussen de drie thema’s: het Uniform Instroom Model, preventie en ervaringsdeskundigheid van groot belang is. Voor haar horen die onderdelen onlosmakelijk bij elkaar. “Als je wilt dat de zorg verschuift en we niet alles medicaliseren, dan moet je preventie en ervaringsdeskundigheid stevig neerzetten. Die stimuleren bij mensen zelfzorg en eigenaarschap. Het zijn voor mij communicerende vaten, geen losstaande projecten. En dat vergeten we soms nog weleens.”

 

De rode draad die zich door het gesprek weeft, is begrip voor elkaar. Of het nu gaat om het sociaal domein, de ggz, huisartsen of zorgverzekeraars: “Je moet begrijpen waar iedereen mee te maken heeft. Pas als je elkaars uitdagingen kent, kun je echt samenwerken.