Samen kijken wat nodig is

Samen kijken wat nodig is

Psychiater en medisch bestuurder bij HOZL

Kim van Dillen is psychiater en medisch bestuurder bij HOZL. Ze werkt op het snijvlak van praktijk en beleid: twee dagen per week bestuurlijk, daarnaast als consultatief psychiater voor huisartsen. Na jarenlange ervaring binnen de ggz in Zuid-Limburg ziet ze scherp waar het schuurt in de samenwerking — en waar het beter kan.

 

Je kent de ggz in deze regio van binnenuit. Waar begon dat?

“Ik heb lang bij Mondriaan gewerkt, onder meer elf jaar in het eerste FACT-team in Parkstad. Dat is wijkgerichte zorg voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening. Wat me daarin altijd aansprak, is het gezamenlijke karakter: met verschillende professionals dicht bij mensen staan en samen kijken wat nodig is. Juist die laagdrempeligheid maakt het verschil.”

 

“Later werkte ik bij de crisisdienst en in het bemoeizorgteam voor zorgmijders. Tegelijkertijd deed ik al consulten voor huisartsen. In die combinatie groeide bij mij de wens om niet alleen in de spreekkamer iets te betekenen, maar ook bestuurlijk bij te dragen aan betere samenwerking. Bij HOZL komt dat voor mij mooi samen: ik ken de regio, weet wat er speelt en kan op meerdere niveaus iets toevoegen.”

 

Verkennende gesprekken en DOCO’s spelen een belangrijke rol in de transformatie. Wat voegen die toe?

“Een DOCO verschilt van een MDO doordat naast de ggz ook het sociaal domein aansluit, en soms een ervaringsdeskundige. Daarmee wordt het gesprek breder. Maar belangrijker nog dan de vorm, is voor mij de bezetting. Je hebt niet per se een grote tafel nodig — juist niet. Het gaat erom dat de juiste mensen aansluiten en dat er vertrouwen is. Voor huisartsen is dat essentieel.”

 

“Tegelijkertijd moeten we oppassen dat we niet opnieuw iets optuigen naast alles wat er al is. Huisartsen krijgen al veel over zich heen en ervaren de ggz vaak als ingewikkeld: wie doet wat, waar moet je zijn, hoe houd je overzicht? Als je samenwerking wilt verbeteren, moet je dus vooral aansluiten bij wat al werkt.”

 

“Psychische problematiek hoort nadrukkelijk bij het werk van de huisarts, simpelweg omdat zoveel patiënten ermee te maken hebben. Vrijwel iedere praktijk heeft inmiddels een poh-ggz, soms zelfs meer dan één. Tegelijkertijd worden de hulpvragen complexer. Het gaat vaak niet alleen om psychische klachten, maar ook om stress, schulden, eenzaamheid of andere sociale problemen. Dat maakt het werk intensief.”

 

Waarom lukt het in sommige praktijken beter dan in andere?

“Waar een gesprek vroeger misschien een half uur duurde, kost het nu al snel drie kwartier tot een uur. Bovendien leveren poh’s-ggz steeds vaker overbruggingszorg, omdat mensen niet snel genoeg terechtkunnen in de ggz. Dat gebeurt met grote inzet, maar het legt ook veel druk op de praktijk.”

 

“Toch zie je dat het anders kan in praktijken waar de samenwerking goed is georganiseerd. In het gezondheidscentrum in Hoensbroek draait al jaren een sterk MDO en wordt veel zelf opgepakt. Vanuit die praktijk komen dan ook nauwelijks consultatieaanvragen. Ook het DOCO in Bocholtz loopt goed, mede dankzij een ervaren en enthousiaste poh-ggz. Dat laat zien: als je het goed inricht, maakt samenwerking echt verschil.”

 

Hoe helpen verkennende gesprekken in de praktijk?

“Voor huisartsen is er gelukkig niet maar één route. De toolbox biedt meerdere mogelijkheden, en niet iedere inwoner hoeft direct naar een verkennend gesprek. Soms kun je in een DOCO of via consultatie al veel bereiken. Het verkennende gesprek is vooral waardevol als je merkt dat meer tijd en een bredere blik nodig zijn. Dan helpt het om echt stil te staan bij wat er speelt, in plaats van te snel op één oplossing uit te komen.”

 

Waar hoop je in 2028 te staan?

“Ik hoop dat huisartsen in 2028 merkbaar ontlast zijn van een deel van het werk dat nu op hun bord ligt. We hebben een grote opgave in preventie, gemeenschapszin en het versterken van wat er in wijken al aanwezig is. Initiatieven die mensen met elkaar verbinden, helpen om minder individualistisch te denken en te handelen. Daarnaast hoop ik dat de samenwerking tussen huisarts en ggz verder is gegroeid, zodat we het echt samen doen. De mensen die de ggz het hardst nodig hebben, moeten daar terechtkunnen. En voor anderen moeten we de ruimte benutten om op een andere manier passende hulp te organiseren.”